Terug naar hoofdinhoud

Hof van Justitie EU doet uitspraak over rode gasolie: tekort aan Solvent Yellow 124 leidt niet altijd tot naheffing

28 maart 2025
Marius van Dam

Op 13 maart 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan in de door Fairway advocaten behandelde zaak C-137/23 (Alsen). De uitspraak gaat over de zogenaamde accijnsvrijstelling voor gasolie: als gasolie wordt gebruikt als brandstof voor de commerciële binnenvaart in de EU hoeft over die gasolie geen accijns te worden betaald.
Om te voorkomen dat de vrijgestelde (en dus veel goedkopere) gasolie ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, is in de Europese en nationale regelgeving opgenomen dat een herkenningsmiddel wordt toegevoegd aan de brandstof. Dat was Solvent Yellow 124, dat per 19 januari 2024 is vervangen door ACCUTRACE™ PLUS. Verder wordt een rode kleurstof toegevoegd, zodat zulke gasolie ook visueel makkelijk te herkennen is. Daarom wordt vaak gesproken van “rode diesel”.

Bij controles door de douane wordt een monster uit de bunkertanks genomen en door het Douanelaboratorium geanalyseerd. Daarbij wordt gekeken of de gasolie de vereiste hoeveelheid van de merkstof bevat. Als er minder dan de voorgeschreven hoeveelheid merkstof wordt aangetroffen, legt de douane een naheffingsaanslag accijns op, in sommige gevallen samen met een forse boete.

De vraag die centraal staat in deze uitspraak is of een te laag gehalte aan de voorgeschreven merkstof de accijnsvrijstelling in de weg staat. Het korte antwoord is nee: het Hof van Justitie EU heeft geoordeeld dat een nationale regeling die de vrijstelling weigert uitsluitend vanwege een tekort aan merkstof in strijd is met de strekking van het Unierecht, tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, misbruik of belastingontwijking.

Achtergrond van de zaak

De zaak begon in Nederland, waar een schipper door de douane een naheffingsaanslag kreeg opgelegd omdat de gasolie in de bunkertanks minder dan de vereiste hoeveelheid Solvent Yellow bevatte. Hoewel de schipper de brandstof had betrokken van erkende bunkerstations en geen aanwijzing voor fraude bestond, weigerden de Nederlandse autoriteiten de accijnsvrijstelling op de formele grond dat de olie te weinig merkstof bevatte. De schipper, bijgestaan door Marius van Dam, ging na bezwaar in beroep bij de rechtbank. Daar kreeg hij gelijk. De Inspecteur van de douane kreeg vervolgens bij het hof gelijk, waarna Marius voor de schipper cassatie aantekende bij de Hoge Raad.

Hierop stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU of de vereiste hoeveelheid Solvent Yellow als doorslaggevende voorwaarde voor de accijnsvrijstelling in overeenstemming is met het Unierecht.[1]

Wat vond het Hof van Justitie EU?

Het Hof benadrukt dat het werkelijke gebruik van de brandstof doorslaggevend is. Als vaststaat dat de gasolie is gebruikt voor de commerciële vaart op binnenwateren van de Europese Unie, mag de accijnsvrijstelling niet per definitie worden geweigerd wegens een tekort aan merkstof. Het toevoegen van de stof is slechts een controlemiddel, gericht op het voorkomen van misbruik en fraude met accijnzen. Een weigering van accijnsvrijstelling louter op basis van een te laag gehalte aan merkstof zonder enig bewijs van fraude gaat verder dan noodzakelijk is om belastingontwijking te voorkomen en is daarmee in strijd met het Unierecht.

Wat betekent dit nu in de praktijk?

Veelal worden zogenaamde herkomstbescheiden (papieren waaruit blijkt waar de accijnsvrije gasolie vandaan komt), zoals bunkerbonnen, door de Douane terzijde geschoven zodra uit laboratoriumonderzoek een te lage hoeveelheid merkstof blijkt.
Met deze uitspraak heeft het Hof van Justitie EU duidelijk gemaakt dat de accijnsvrijstelling niet onnodig formeel mag worden toegepast. Het daadwerkelijke gebruik staat voorop: als vaststaat dat de gasolie wordt gebruikt voor het vrijgestelde doel, namelijk de aandrijving van een schip in de commerciële binnenvaart op de wateren van de Europese Unie, geldt de vrijstelling, ook als er te weinig Solvent Yellow of Accutrace in de olie zit. De lidstaten mogen de vrijstelling dan alleen weigeren als er vermoedens zijn van fraude, misbruik of belastingontwijking. In veel van de lopende procedures die zijn aangehouden in afwachting van deze uitspraak is dat niet het geval.
De Hoge Raad zal nu moeten bepalen hoe deze uitspraak in de Nederlandse praktijk dient te worden toegepast. De uitspraak van het Hof van Justitie EU kan daarnaast ook gevolgen hebben voor andere lidstaten, als die een soortelijke vrijstelling hanteren.

Heeft u vragen over een ontvangen naheffingsaanslag accijns of een andere juridische kwestie? Neem dan gerust contact op via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of 010-288 8800.



[1] Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden (PB 1995, L 291, blz. 46)

Meer nieuws