Skip to main content

Een concurrentiebeding bij detachering ook nietig als het gaat om zzp’ers?

25 april 2017
Frits Bienfait

Op 14 april 2017 wees de Hoge Raad een arrest over toepassing van het belemmeringsverbod zoals opgenomen in de Waadi, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs. Het belemmeringsverbod van artikel 9a verbiedt elk beding op grond waarvan een uitgeleende arbeidskracht wordt belemmerd om na afloop van het contract bij derden in dienst te treden. Dit artikel is in 2012 ingevoerd ter implementatie van artikel 6 lid 2 van de Uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG).

In een uitspraak van 17 november 2016 (de zogenaamde Ruhrlandklinik uitspraak) bepaalde het Hof van Justitie van de EU dat voor de uitleg van het begrip ‘werknemer’ het niet alleen gaat om werknemers in arbeidsrechtelijke zin, maar om iedereen ‘die gedurende zekere tijd onder leiding van een ander tegen vergoeding prestaties levert’. De juridische kwalificatie van de relatie naar nationaal recht is daarvoor niet relevant. Daardoor zou de reikwijdte van het belemmeringsverbod zich dus ook kunnen uitstrekken tot zzp’ers.

In die zin oordeelt de Hoge Raad in het onderhavige geval. Het ging om het volgende:

Een verpleegkundige, die na afloop van een detachering bij een huisartsenpraktijk niet in dienst trad van deze inlener maar als zzp’er voor de voormalige inlener ging werken, werd door de uitlener aangesproken op schending van het concurrentieverbod. In hoger beroep kreeg de voormalige uitlener gelijk. Het gerechtshof oordeelde dat de bescherming van artikel 9a alleen zag op het ‘in dienst treden’ en nam die term letterlijk: ‘als werknemer’. Het aangaan van een overeenkomst van opdracht viel dus niet onder de bescherming. Aldus werd de verpleegkundige veroordeeld € 15.000 boete te betalen.

De Hoge Raad vernietigt deze uitspraak. Op grond van de Richtlijn en de Waadi moet de verpleegkundige de mogelijkheid hebben het concurrentiebeding te vernietigen. Dat hij als zzp’er aan de slag ging en niet als werknemer moet daarvoor niet het relevante onderscheid zijn volgens de Hoge Raad, die daarbij de leer van het Hof van Justitie van de EU in de Ruhrlandklinik uitspraak toepast.

Na de vernietiging van het arrest van het gerechtshof zal een ander gerechtshof moeten beoordelen of de verhouding tussen de verpleegkundige en de voormalige inlener aan het criterium voldoet: ‘gedurende zekere tijd onder leiding van een ander tegen vergoeding prestaties leveren’. Als dat zo is, dan vervalt alsnog de boete.

Meer nieuws